Leiden Language Blog

De zin van taalbeleid

De zin van taalbeleid

Je staat er misschien niet zo vaak bij stil, maar de wereld is vergeven van taalbeleid. Ouders die hun kinderen corrigeren: zeg niet lekkerder als maar lekkerder dan. Docenten die leerlingen verbeteren: schrijf niet je vind maar je vindt – maar dan wel weer vind je. Redacteuren die schrijvers voorhouden: je wil is spreektaal, het moet je wilt zijn. Politici die zeggen: spreek geen X, spreek Nederlands…

De menselijke obsessie met taalplanning kan zulke vormen aannemen dat ook de overheid zich ermee gaat bemoeien. In het Nederlandse taalgebied is de Taalunie, een overkoepelende organisatie van de Nederlandse, Vlaamse en Surinaamse overheid, belast met taalbeleid. Daaraan hebben we onder meer het zogenaamde Groene Boekje te danken, dat wil zeggen de officiële spellingsregeling.

Dat taal als een overheidstaak wordt gezien in de zin van een heus beleidsterrein, is een tamelijk recente ontwikkeling. Om precies te zijn: dat idee is zo’n 220 jaar oud. Aangezien er al meer dan 1000 jaar Nederlands wordt gesproken, is overheidsbemoeienis met de taal eigenlijk nog steeds een noviteit. In 1795 en 1796 spande Laurens van Santen zich in voor een leerstoel in de neerlandistiek aan de Universiteit Leiden. Hoewel er al eerder hoogleraren Nederlands hadden gedoceerd, was de instelling van een leerstoel specifiek voor de ‘vaderlandse’ taal en letteren een revolutionaire gebeurtenis. De nog jonge Matthijs Siegenbeek werd in 1797 benoemd. Niet lang daarna werd zijn Leidse collega Johan Hendrik van der Palm de eerste minister van onderwijs in Europa. En hij nam het niet minder revolutionaire besluit dat de eenheid van het land bevorderd zou moeten worden door een eenheidsspelling en een eenheidsgrammatica: officiële, door de overheid vastgestelde regels dus, die in het onderwijs en in de bureaucratie zoveel mogelijk gevolgd moesten worden. Siegenbeek mocht de eerste officiële spelling bedenken, die hij in 1804 publiceerde. Een jaar later verscheen de grammatica, geschreven door de Rotterdamse predikant Pieter Weiland.

In het project “Going Dutch. The Construction of Dutch in Policy, Practice and Discourse (1750-1850)” onderzoeken wij samen met Bob Schoemaker dit eerste officiële taalbeleid vanuit drie perspectieven: de ideologische en discursieve inbedding ervan, de implementatie van het beleid in de onderwijspraktijk, en de effectiviteit ervan.

Het derde perspectief gaat over de zin van het beleid. Heeft iemand zich er iets van aangetrokken? Om dat uit te vinden hebben we samen met assistenten een omvangrijk corpus gebouwd met taaldata van voor en van na het taalbeleid. We hebben ons daarbij toegelegd op tekstsoorten die dichtbij het dagelijks leven van historische personen staan: brieven, dagboeken en lokale kranten. Gedrukte teksten met een groter bereik, zoals literatuur, tijdschriften of wetenschappelijke publicaties, hebben we vermeden.

Nu we de eerste analyses hebben gedaan, beginnen zich spectaculaire resultaten af te tekenen. Bij sommige spellingsverschijnselen is er een radicale omslag te constateren, vooral in de kranten, maar vaak ook in de andere bronnen, zij het in mindere mate. Bijvoorbeeld: schreef eind achttiende eeuw nog bijna iedereen hij word, begin negentiende eeuw is er een gigantische ommekeer naar hij wordt, in overeenstemming met de regels van Siegenbeek. Let wel: net als vandaag de dag stonden er geen sancties op het niet gebruiken van de officiële spelling. Uit onderzoek van Bob weten we bovendien dat lang niet alle schoolmeesters gepreoccupeerd waren met het aanleren van de officiële spelling. Desondanks gaan heel wat individuen mee met het beleid. Er waren dus echt mensen die zich van die nieuwigheid van een officiële taal iets aantrokken.

Aan de andere kant… als we kijken naar grammaticale kenmerken, zijn de resultaten totaal anders. Weiland verdedigde in zijn grammatica bijvoorbeeld het klassieke naamvallensysteem (de man, des mans, den man, der vrouw, des kinds etc.). Naamvallen zijn er genoeg in onze data, maar de proporties zijn door de tijd heen redelijk stabiel – alsof de interventie van Weiland nooit heeft plaatsgevonden. Ook had Weiland allerlei ideeën over de betrekkelijke voornaamwoorden, maar dat weerhield sommige schrijvers er niet van om dingen te schrijven als Ons rytuig wat wy om 8 Uur besteld hadden en eene nieuwe bierbrouwerÿ van de Heer Jan van Cleef wie lekker bier brouwt. De innovaties van Johan Cruijff hebben een lange voorgeschiedenis …

We kunnen en willen geen algemene uitspraken doen over de zin van taalbeleid, ook niet over de noodzaak van taalbeleid. Wij hebben een sociolinguïstische interesse in een specifieke historische periode. Wat we tot nu toe, heel voorlopig, concluderen, is dat taalbeleid soms effectief is en soms niet. Precies de nuance die je van de wetenschap verwacht…

Add a Comment

Commenting is not available in this channel entry.