Leiden Language Blog

Het brein achter taalverandering

Het brein achter taalverandering

Ongeveer zesduizend jaar geleden werd er in heel Europa en Azië één taal gesproken: het Proto-Indo-Europees. Hoe kan het dan dat we vandaag de dag niet eens onze oosterburen kunnen verstaan zonder een woordenboek Duits-Nederlands erbij te pakken? Het antwoord is natuurlijk dat taal, net als mode, constant aan het veranderen is, en dat verschillende groepen mensen verschillende veranderingen in gang zetten. Dat leidt er uiteindelijk toe dat je alleen mensen kunt verstaan die de zelfde taalveranderingen hebben meegemaakt als jij, en andere mensen niet. Zo worden nieuwe talen geboren uit gemeenschappelijke voorouders.

Helaas is er een probleem voor deze weergave van taalverandering: mensen zijn heel flexibel. Stel, bijvoorbeeld, dat ik zestien mensen naar woorden als witloX laat luisteren, en zeventien andere mensen naar woorden als naaldboX. De X staat hier voor een kunstmatig gecreëerde klank die precies tussen een f en s in zit. De ene groep mensen zal na verloop van (verrassend weinig) tijd leren dat die klank een f is, de andere groep zal leren dat het een s is – dat waren althans de bevindingen van Norris, McQueen, & Cutler (2003). Mensen vinden het dus blijkbaar geen enkel probleem om een klankcategorie een beetje op te rekken wanneer dat nodig is – gelukkig maar, want anders zou je echt helemaal niemand kunnen begrijpen die niet uit de zelfde regio komt als jij én niet precies de zelfde fysieke anatomie heeft als jij (want dat maakt ook uit voor de akoestische eigenschappen van spraak!).

Die flexibiliteit is een probleem voor taalverandering, want als je nieuwe spraak altijd in een bestaande categorie in weet te passen, zouden die categorieën zelf nooit hoeven te veranderen. Neem bijvoorbeeld het onderwerp van mijn onderzoek: de klinkers van het Nederlands. Het Nederlands heeft naast de lange aa nog drie lange klinkers (ee, eu, oo), en daarnaast drie tweeklanken (ij, ui, au). Die laatste groep, de tweeklanken, heeft als bijzondere eigenschap dat iedere klank uit twee delen bestaat: de au, bijvoorbeeld, bestaat uit een ah en een oe – spreek ze maar eens snel achter elkaar uit. Voor de ee, eu, en oo heeft dat lange tijd niet gegolden; pas in 1928 deden twee taalkundigen (Zwaardemaker en Eijkman) hun eerste beklag over een j-achtig einde voor de ee. Vandaag de dag is het echter heel normaal om niet op z’n Frans thee te zeggen, maar de ee (en ook de eu en oo) een duidelijk hoorbaar tweede deel mee te geven: theej. Zijn het dan nog steeds enkelvoudige klanken?

Volgens de kennis die we hebben over de flexibiliteit waarmee mensen nieuwe klanken kunnen plaatsen in bestaande categorieën, is het antwoord op bovenstaande vraag ‘ja’: de 1928-se Nederlander heeft een enkelvoudige ee, hoort een ee met een j-achtig einde, en kan die nieuwe klank prima als zijn bestaande categorie interpreteren, en de nieuwe uitspraak verandert dus niets. Op dit punt moeten we echter toegeven dat dit nooit het hele verhaal kan zijn: als dat zo was, dan zouden we nu nog steeds allemaal Proto-Indo-Europees spreken, en dat is duidelijk ook niet het geval. Hoe zijn flexibiliteit en verandering dan met elkaar te verenigen?

Wat ik probeer te doen in mijn onderzoek is, door middel van taalkundig, gedrags-, en hersenonderzoek, een tijdpad te maken dat kan uitleggen hoe we van het ene uiterste (het oprekken van bestaande categorieën) overgaan naar het andere uiterste (het herindelen van het systeem). Ik kijk daarbij naar volwassen sprekers van een vorm van het Nederlands die de ee, eu, en oo nog steeds zo uitspreekt als wij in 1928 deden (ten zuiden van Nederland vinden we toevallig een land vol van zulke mensen). Deze groep vergelijk ik met ‘echte’ Nederlanders. Bijzonder aan mijn doelgroep is dat het allemaal Belgische studenten in Nederland zijn, en zij dus continu aan ‘onze’ uitspraak worden blootgesteld. De verwachting is dat, als ik deze studenten een jaar gevolgd heb, ze aan het eind van het jaar iets anders zijn gaan luisteren, spreken, en neurologisch verwerken dan dat zij deden toen ze nog maar net in Nederland aankwamen.

En hoe zit het met het Nederlands? Een jaar geleden heb ik een mini-onderzoekje uitgevoerd onder een paar (Nederlandse) eerstejaars studenten Taalwetenschap. De resultaten daarvan (zie het plaatje hieronder) geven een eerste indruk, die te zien is in de ‘eerste formant’ – een frequentie in het spraakgeluid die correspondeert met de hoogte van je tong. Het plaatje laat zien dat alle gemeten klinkers de tong tijdens de articulatie omhoog brengen in woorden als ‘ver-de-len’, maar dat ze dat – wederom alle zes – niet doen in woorden als ‘ge-deel-te’. Deze gelijkenis is in ieder geval één aspect waarin de ee, eu, en oo één groep lijken te vormen samen met de oorspronkelijke tweeklanken. Ik hoop dat die observatie een begin kan vormen voor nieuwe kennis over taalverandering… 

Klinkerdiagrammen van de ee, eu, oo, ij, en ui. De eerste formant komt overeen met de hoogte van de tong, de tweede formant correspondeert met voor/achter. De rondjes zijn metingen op het eerste ¼ van de klinker, de driehoekjes zijn metingen in het laatste ¾ van de klinker. In het bovenste diagram volgt direct op de klinker een l in een nieuwe lettergreep, in het onderste diagram volgt direct op de klinker een l binnen de zelfde lettergreep. (De au is niet meegenomen in het diagram omdat daar geen l na kan komen in de zelfde lettergreep, behalve in de naam Paul.)

 

Add a Comment

Name (required)

E-mail (required)

Your own avatar? Go to www.gravatar.com

Remember me
Notify me by e-mail about comments